Anatolische Herdershond

Like onze Facebook-pagina van de Anatolische Herdershond (Çoban köpeği) 


Land van oorsprong: Turkije
FCI Standaard nummer: 331 (10-04-1989)

Toepassing
Actief ras, oorspronkelijk gebruikt als waakhond voor de schapen; volhardend in zijn werk; in staat uitersten van hitte en kou te doorstaan.

FCI classificatie
Groep 2, Pinschers en Schnauzers – Dogachtige (Molossoïde) rassen – Zwitserse Sennehonden en Veedrijvershonden en andere rassen.
Sectie 2.2 Dogachtige (Molossoïde) rassen, Bergtype. Zonder werkproef.

Kort historisch overzicht
De Anatolische Herdershond is een herders-waakhond van oud geslacht, mogelijk afstammend van de grote jachthonden die in Mesopotamië hebben bestaan. Het ras heeft zich in de loop der eeuwen geëvalueerd om te passen in een speciale reeks van omstandigheden. Het meest vormgevend hiervan zij het klimaat – hete en zeer droge zomers, zeer koude winters – de leefwijze van de mensen – vaste woonplaats, half of geheel nomadisch – en het werk dat de honden is toebedeeld. Zij bewaken kuddes en beweging zich daarmee over grote afstanden over de Centrale Anatolische Hoogvlakte. Ongeacht welk weertype blijven zij buiten.

Algemene verschijning
Grote, rijzige, hoge, krachtig gebouwde vee-bewakingshond met een breed en sterk hoofd en een dichte dubbele vacht. Moet over afmeting en uithoudingsvermogen beschikken. In staat zijn grote snelheid aan de dag te leggen.

Belangrijkste verhouding
Voorsnuit iets korter dan de schedel.

Gedrag en temperament
Stabiel en moedig zonder agressie, van nature zelfstandig, zeer intelligent en handelbaar. Trots en zelfverzekerd. Trouw en toegewijd aan de eigenaars, maar indien volwassen afstandelijk tegen vreemden.

Hoofd
Gebied van de schedel
Schedel: Breed, maar in evenredigheid aan het lichaam, breed tussen de oren, licht gewelfd. Volwassen reuen hebben een breder hoofd dan teven.
Stop: Gering.
Gezichtsgebied
Neus: Zwart, behalve bij de leverkleurigen, waarbij deze bruin is.
Snuit: Van boven gezien nagenoeg rechthoekig. Profiel bot, zeer weinig versmallend naar het uiteinde.
Lippen: Zeer licht hangend, met zwarte randen. Rand van de bovenlip niet lager dan het profiel van de onderkaak. Strakke mond-hoeken.
Kaken/gebit: Sterke tanden, met een volmaakt scharend gebit, d.w.z. de boven tanden staan dicht over de ondertanden en zijn recht op de kaak geplaatst. Gebit compleet.
Ogen: Tamelijk klein in verhouding tot de afmeting van de schedel, goed uit elkaar geplaatst, diepliggend, laat geen hangend ooglid zien. Van kleur goud tot bruin volgens de kleur van de vacht. Oogleden zwart behalve bij leverkleurigen.
Oren: Van middelmatige grootte, driehoekig van vorm, met afgeronde punt, hangend met de voorkant dicht tegen de wang, bij oplettendheid hoger.

Hals
Licht gebogen, krachtig, gespierd, middelmatig lang, tamelijk dik. Lichte wammen.

Romp
Krachtig, goed gespierd, nooit plat.
Bovenlijn: Horizontaal, licht gebogen over de lendenen.
Rug: Tamelijk kort in verhouding tot de lengte van de benen.
Borst: Diep tot de punt van de ellebogen; ribben goed gebogen; borstkas voldoende lang.
Onderlijn: Goed opgetrokken buik.

Staart
Lang, reikend tot aan het spronggewricht, tamelijk hoog aangezet, bij ontspanning laag gedragen met een licht krul; bij oplettendheid hoog gedragen en over de rug gekruld, vooral bij de reuen.

Ledematen
Voorste ledematen
Goed uit elkaar geplaatst en met goede botten; van goed lengte.
Schouders: Goed gespierd, schuin.
Ellebogen: Strak aan de zijden, vrij in beweging.
Middelhanden: Sterk, licht hellend van opzij gezien.
Achterste ledematen
Krachtig, niet overladen met spieren. Achterbenen van achteren gezien verticaal.
Dij: Lang.
Kniegewricht: Goede draai van het kniegewricht.
Voeten
Sterk, met dikke kussens en goed gebogen tenen. Korte nagels.

Gang/beweging
Zeer opvallend is de horizontale lijn van romp, hoofd en hals tijdens het lopen, beweging gelijkmatig, soepel en uitgrijpend, de indruk gevend van een statige pas, met grote kracht. Telgang toelaatbaar bij lage snelheid. Trippelen of steppende beweging hoogst ongewenst.

Vacht
Haar
Kort of halflang, dicht, met dikke ondervacht. Grote variaties in lengte al naar gelang het klimaat. Langer en dikker aan de hals, schouders en dijen. De vacht neigt langer te worden in de winter.
Kleuren
Alle kleuren toegestaan.

Maat en gewicht
Schofthoogte
Reuen: 74-81 cm.
Teven: 71-79 cm.
Gewicht
Volwassen reuen: 50-65 kg.
Teven: 40-55 kg.

Fouten
Elke afwijking van de voorgaande punten moet als een ernstige fout worden gezien en de ernst waarin de fout wordt gezien, moet in exacte verhouding zijn tot de graad waarin deze zich voordoet.

Ernstige fouten
Laag bij de grond, zwaar en langzaam, te massief; te licht van bouw, whippetachtig.
Vlakke schedel.
Steppende beweging, trippelende gang, stijfheid.
Vacht te lang en hangend.

Uitsluitende fouten
Snuit te kort (eenderde van de totale hoofdlengte).
Onderbijter, overbijter.
Vacht: erg kort en glad, ontbreken van de ondervacht.
Niet in staat om vee te bewaken.

N.B.
Reuen moeten twee zichtbare normale testikels hebben, volledig afgedaald in het scrotum.

Vertaling vanuit het Engels: Leo Bosman