Kraski Ovcar

Like onze Facebook-pagina van de Kraski Ovcar

Land van oorsprong: Slovenië
FCI standaard nummer: 278 Oorsprong

Achter FCI. Nr. 278 verbergt zich een van de zeldzame hondenrassen die Nederland heeft, de Kraski Ovcar (KO) of de Nederlandse benaming, Herdershond van de Karst.

De voorloper van de KO is een paar honderd jaar oud. Hij is ontstaan door vraag naar goede waak- en verdedigingshonden. Zo werd hij gefokt uit de groep Molossers die uit Griekenland komen.

Al in 1689 beschreef de historische Baron Janez Vajkard Valvasor het karakteristieke ras in “The Glory of the Duchy of Carniola”. Een grote sterke hond die zeer moedig en niet bang voor de wolf was. Een hond die altijd in de buurt van de kudde was. Boeren hebben de beste honden geselecteerd.

De Weense kynoloog K. Kammerer heeft in 1903 de KO in een boek beschreven en in 1925 heeft de oudste Sloveense kynoloog Iwan Lovrencic in een hondenblad geschreven: ”Je moet weten dat de KO ons eigen ras, al een paar honderd jaar oud is. Het is een van de laatst zelfverzekerde honden.” "Hij is bang dat ze zullen uitsterven omdat er zo weinig van zijn.”

In 1947 zijn ze vermeld in het boek “Working Dogs of the World”van Clifford Hubard.

In 1938 zijn 54 honden op stamboom ingeschreven. 

In 1939 werd in Stockholm de Illyrische Herdershond erkend waar zowel de Sarplaninac als de KO onder hoorden.

Na de oorlog zijn er 123 honden in het stamboek ingeschreven en in 1948 werd er nog vreemd bloed toegevoegd.

Op 16 maart 1968 werden in Bled de Kraski Ovcar en de Sarplaninac door de FCI. apart als ras erkend. Dit gebeurde dankzij de medewerking van de internationale juryleden: T. Drenig, Janez Hojan, Ivan Bozic en Miroslav Zidar. Dit laatste jurylid heeft zich enorm ingezet voor de KO. Hij heeft een boek geschreven over het ontstaan van de KO, het fokgebied, een stamboomonderzoek terug tot 1924, een inventarisatie van de honden vanaf 1966 tot en met 1989. Daarin staat o.a. de behaalde resultaten op tentoonstellingen, maar wat belangrijker is, de fokgegevens en de gebreken per hond genoteerd.

Vanaf 1924 werden er 18 pups per jaar gefokt tot ongeveer 100 in 1968.

In 1969 is de betere kwaliteit van de Kraski ontstaan op gedrag en uiterlijk.

Nu zijn er meer dan 1000 KO in Slovenië.

Het gebied van herkomst ligt in het Karstgebergte van Slovenië en Istrie. In dit berggebied hielp de KO de schaapsherder niet met drijven of hoeden, maar met het bewaken van de kudde. Dat was oorspronkelijk zeer belangrijk, want in deze bergregio waren ook de beren, wolven en vossen thuis. De Kraski Ovcars, de herders hadden er vaak meerdere, hielden deze roofdieren alsmede dieven bij de kudde weg. Daarbij handelt de hond niet alleen op bevel van de herder, zij besluiten ook zelfstandig om in te grijpen.

Door de teruggang van de schaapskudden en hun natuurlijke vijanden was er ook minder vraag naar de honden. Toch gebleven is een aan het ijzige winter- en hete zomerklimaat aangepaste waakhond met zijn eigenzinnige karakter waardoor hij moeilijk af te richten is.

In Slovenië word hij nog gebruikt voor defensie en als politiehond. In 1996 hebben wij de staatsgevangenis in Mirna bezocht waar de honden toen nog gebruikt werden voor de bewaking van de gevangenen. Twee jaar later is alles geautomatiseerd en zijn alle reuen weggegeven.

Karakter
De Kraski Ovcar is een edele, sterke, harmonieus gebouwde hond. Hij is rustig, goedhartig, moedig en waakzaam. Hij heeft een uitstekend uithoudingsvermogen en is zeer trouw aan de baas en zijn familie. Het zijn vriendelijke, voor eigen, geweldige gezelschapshonden. Ze zijn onomkoopbaar. Hij is zich goed bewust van zijn taak, verdedigt zijn terrein (gebied). Daarom is het niet raadzaam een bezoek zonder begeleiding in dit gebied te doen.

Alleen wanneer de Kraski het bezoek is voorgesteld en de hond hem geaccepteerd heeft, kan de bezoeker vrij bewegen op het terrein.

Door de zelfstandigheid van de hond zijn ze dus niet slaafs gehoorzaam.

Wie met 7 a 8 weken een kleine KO pup neemt, zal het niet voor mogelijk houden, dat deze aanhankelijke, spelende wolbol zo een hiervoor beschreven waakhond word. Dat duurt zo’n 1½ a 2 jaar tot deze van karakter langzaam ontwikkelde hond zijn waakhondengedrag aan de dag gaat leggen.

Het is belangrijk dat een KO pup van kleins af aan met veel mensen in kontakt komt. Dan wordt het zonder problemen een fijne hond in de omgang, die ook tegenover vreemden, met de nodige argwaan, braaf blijft.

Buiten zijn gebied is het een hond zonder enige scherpte. Zelfbewustzijn heeft een KO van nature meegekregen, net zoals zijn alertheid.

Een goed gefokte Kraski is in wezen heel gevoelig, daardoor voor familieleden wat onderdanig. Zijn leven hoort bij de familie. Ze zijn heel tolerant. Zij vinden het heerlijk met kinderen te spelen, wanneer zij het zat worden, verwijderen zij zich, maar die mogelijkheid moet er wel zijn, anders zet hij het kind zacht op de plaats. Dus nooit geen hond met kleine kinderen alleen laten, maar dit geldt voor elke hond, ras of geen ras

Daar de KO van nature het lopen gewoon is, zal men minimaal 1 keer per dag een langere wandeling in vrijheid ondernemen. De bewegingsdrang is groot. Ze gaan ook graag mee aan de fiets (ouder dan 1 jaar). Wanneer je je hond los laat moet je oppassen met confrontaties met andere honden, dit verschilt per hond en situatie. Je hond moet goed gesocialiseerd worden met andere rassen. In Nederland moet je tegenwoordig je hond overal aangelijnd houden .

Deze honden vergeten geen onterechte handelingen. Wanneer de hond door iemand gepest of bedreigd wordt, vergeet hij dat zijn leven lang niet meer. Als de eigenaar zijn hond slecht of onterecht behandeld, kan de hond zich tegen hem keren. Je moet de hond in zijn waarde laten, wil je de zelfverzekerdheid, de trots, de toewijding als waakhond en hechting aan de familie behouden.

Een kenmerk van deze hond is zijn desinteresse voor het apporteren. Wanneer de hond de zin van een oefening niet ziet, doet hij het niet.

In de zomer is de hond ’s morgens en ’s avonds aktief en tijdens het middaguur liggen ze te rusten.

De KO gaat graag in het water, minstens tot buikhoogte. Ze pakken elke mogelijkheid aan om in een poel, sloot of meer te lopen. Een KO bezitter moet niet iemand zijn bij wie reinheid zeer hoog in het vaandel staat.

De vacht van een Kraski is rijk en dicht met een zandkleurige tot grauwe onderwol en een grijs en zwarte lange haren dekkende vacht. Men spreekt over de kleur ijzergrijs. Dit met een sterke trend naar een zwart dek vooral op de rug. Een donker masker met lichtkleurig haar om de ogen ook wel bril genoemd.

Bij de hals is vooral bij de reuen het haar langer dan op de rest van het lichaam. Hierdoor lijkt de hond groter dan hij is, wat afschrikt. De oorsprong van deze halsmanen kan liggen in het feit dat ze met roofdieren moesten vechten. De manen beschermden ze tegen de keelbeet van een wolf. Deze aanpassing van de natuur is een raskenmerk geworden. Borst-buikbeharing is 10 cm.

In de zomer verliest hij de onderwol en beschermt de dekvacht tegen de hitte. In de winter isoleert de onderwol tegen de kou en nattigheid. Ze liggen graag in de sneeuw en laten zich rustig ondersneeuwen.

In onderhoud is een KO probleemloos. Z’n lange dichte vacht wekt de indruk dat het veel onderhoud vergt. Dit valt wel mee. Twee maal per jaar verharen ze 3 weken heel erg. Als je dan goed borstelt ben je er zo vanaf. Daarbuiten regelmatig een borstel door de vacht heen halen, niet alleen voor de vacht, maar ook als aandacht. 

Standaard

Middelmatig groot, kompakt gebouwd, sterk en gespierd. Ze hebben hangoren en een hangstaart die bij aktie boven de rug gedragen word.

Hoogte: Reu 55 – 60 cm, teef 52 – 56 cm

Gebit: Schaargebit Zeer sterk, vooral sterk ontwikkelde hoektanden

Schedel: Middelmatig lange snuit met een rechte, brede neusrug.De schedel is iets langer dan de snuit. Gespierd, droog hoofd. Een iets gewelfd profiel.

Oren: Hangend V-vormig, liggen vlak tegen het hoofd, matig lang.

Ogen: Amandelvormig, kastanjebruin.

Nek: Middelmatig lang, breed, droog met kop en romp kompakte verhouding.

Lichaam: Middelmatig lang, 10 % langer dan de hoogte is. Schouders breed en schuin. Lange, brede, goed gevulde en gespierde dijen. Diepste punt van goed ontwikkelde borst reikt tot de ellebogen. Brede matige gewelfde ribben. Voldoende voorborst. Borstdiepte 25 -28 cm. Borstomvang 70 – 78 cm.Ruglijn is recht en horizontaal of heeft een zeer licht aflopend kruis. Lange, matige brede, hoge schoft. Aflopende kruis is breed en zeer gespierd. Strakke, tamelijk sterk opgetrokken buik. 

Benen: Rechte voorbenen. Kort behaard. Sterke spronggewrichten met tamelijk diepe hoekingen. Ronde voeten, gewelfde tenen, donkere nagels.

Staart: Sabelstaart. Middelmatig lang tot op het spronggewricht. Hoog aangezet, breed aan de wortel, loopt naar punt dunner uit. Rijkelijk bedekt met lang haar dat een vlag vormt. In rust laag gedragen. 

FCI Standaard:
http://www.fci.be/uploaded_files/278gb2001_en.doc