Artikelen

Uit de oude doos

Artikelen >>

De Hondenwereld Nr 5-6, 16 dec. 1949/1 jan. 1950, pag. 8-9

DE KOMONDOR

De Komondor behoort tot de drie oeroude rassen - de beide anderen zijn de Kuvasz en de Puli - die door de Hongaren meegebracht werden toen zij in de laatste decennia van de 9e eeuw hun lange zwerftochten van uit Azië konden beëindigen en zich konden vestigen in hun tegenwoordige vaderland. Oude kronieken spreken er van, dat grote witte honden, met ruig behaarde schedels, dienst deden om de kudden van deze Aziatische nomaden te beschermen tegen dierlijke en menselijke vijanden, de taak, die ook heden ten dage door de Komondor in Hongarije nag wordt vervuld. De enige rassen, die zeer na aan de Komondor verwant zijn, leven thans nog in Azië; dat zijn de Russische Owcharka en de Oekrainse Berghond. Deze beide rassen vertonen het meest typische kenmerk van de Komondor, n.l. de in sterke mate en in grote plakkaten verviltende pels, die deze dieren beschut, niet alleen tegen de beten van wilde dieren, maar ook tegen de intense winterse koude van het vastelandsklimaat, waaraan zij in hun geboortestreken vaak zonder enige andere bescherming zijn blootgesteld. Alle drie genoemde rassen behoren tot de herdershonden, en wel tot de berg- of wachthonden (Hirtenhunde, Chiens de montagne), de beschermers en verdedigers van de kudden.

In ons land kennen. tentoonstellingsbezoekers deze vervilte pelsen alleen van één ander, klein, Hongaars ras, de zeer intelligente Puli, die als schepershond bij de kudden een geheel andere taak vervult dan de Komondor. Interessant is de manier, waarop de herder deze beide rássen in de grote vlakten van Hongarije vaak laat samenwerken. De Komondor is groot, fors en uitermate weerbaar. In het volle besef van zijn physieke superioriteit kan zijn waakzaamheid wel eens verslappen. Juist daarom gebruiken de herders een Puli, een ras dat altijd opmerkzaam is, om de Komondoren door hun geblaf er op attent te maken, dat gevaar dreigt.

Doordat beide rassen een vervilte pels bezitten heeft men de Puli wel eens voor een verkleinde uitgave, een in zijn groei achtergebleven exemplaar van de Komondor gehouden. Deze opvatting vond steun in het streven van een groepje fokkers die met de Puli-fok een richting op wilden, die van de officiële in sterke mate afwijkt. De officiële raspunten staan als schouderhoogte toe 35 à 40 cm en veroordelen iedere kleur, welke anders is dan roodachtig zwart of iedere schakering van grijs. Genoemd groepje wil ook wit als kleur voor Puli's erken nen en streeft ernaar om niet alleen kleine, doch ook grote Puli's, met een schofthoogte van meer dan 55 cm te fokken. Op die wijze zou men dicht in de buurt van de Komondor komen, die steeds een witte pels behoort te vertonen en een schofthoogte van minstens 60 cm bezit. De officiële kynologie in Hongarije heeft dit streven dan ook ten sterkste veroordeeld. In Hongarije heeft de theorie, dat de Puli een in zijn groei achtergebleven Komondor zou zijn, afgedaan. Als bewijs voor de onjuistheid dezer theorie wordt o.a. gewezen op onderzoekingen, die verricht zijn op de hersens van Komondoren en Puli's, waaruit is gebleken dat die van de Puli van veel fijnere constructie zijn dan die van de Komondor, terwijl voorts wordt aangevoerd, dat het verschil in karakter dezer beide rassen, zo groot is, dat de Komondor niet als stamvader van de Puli kan worden gedacht.

Herhaaldelijk bemerkt men, dat het publiek Komondor en Kuvasz met elkaar verwart, alhoewel dit twee geheel verschillende rassen zijn. Enkele voorbeelden. In het bekende boekwerk Les Races des chiens van Graaf van Bylandt komen een aantal afbeeldingen voor van uitstekende Kuvaszen; het onderschrift vermeldt: Komondor. In een hondenkalender van enkele jaren terug is een afbeelding opgenomen van een gekamde Komondor met als onderschrift: Kuvasz. Nog erger maakte het de voormalige eigenaar van een dezer twee grote' rassen. Bij het doorbladeren van het archief der rasvereniging stuitte ik op naam en adres van iemand, die een Komondor zou bezitten. Zoals vanzelf spreekt schreef ik deze man, er mijn verheugens over uitsprekend, dat hij een Komondor bezat en daaraan toevoegend, dat zijn hand wel de enige Komondor in ons land zou zijn. In zijn antwoord schreef de man, dat hij inderdaad een Komondor had bezeten; het dier was helaas overleden. Zo zeldzaam als ik dacht, waren Komondoren zijns inzien in ons land niet, want hij had er onlangs drie op een tentoonstelling gezien. Die drie honden waren nota bene Kuvaszen van ondergetekende zelf geweest. Het voornaamste verschil tussen Kuvasz en Komondor is heel eenvoudig; een Kuvasz heeft een schedel, welke begroeid is met kort, glad haar. Die van de Komondor is geheel bedekt met lang, ruig, verhard haar. De pels van de Kuvasz vervilt niet, die van de Komondor wel. Komondoren zijn in ons land momenteel niet aanwezig. Er zijn er vroeger wel enkele geweest; meer dan drie stuks heb ik niet kunnen ontdekken. De bekendste daarvan behoorde toe aan de Duitse Keizer in Doorn. De twee anderen waren in Amsterdam. Aldaar bevond zich de kennel van Lorenz Oechsle (met de naam „van de Amstel"), die lid was van de Duitse Komondor-Klub in München; zijn fokproducten zijn in het Duitse stamboek ingeschreven. In Hongarije zelf vond ik bij een bezoek in 1948 nog slechts zeer weinig Komondoren; daaronder waren echter exemplaren van de allerbeste kwaliteit. In de laatste vijf jaren zijn talloze uitstekende dieren omgekomen; Hongarije is hevig geteisterd en mens en dier hebben een zware tol aan de oorlog moeten betalen. Buiten Hongarije komen Kamandoren bij mijn weten alleen voor in Amerika en in Duitsland. Gegevens uit Amerika staan mij niet ter beschikking; in Duitsland werden in 1944 tot met 1947 in het stamboek 20 Komondaren ingeschreven tegen 133 Puli's en 1260 Kuvaszen.

Vraagt men naar de redenen voor het geringe aantal Komondoren dan lijken deze in hoofdzaak van tweeërlei aard. Enerzijds is het fokken van de Komondor bijzonder moeilijk; anderzijds is de Komondor in de omgang niet steeds gemakkelijk.

De voornaamste moeilijkheden voor een fokker van Kuvaszen liggen in het combineren van een spierwitte pels met zwarte neus, lippen, oogranden, voetzolen en donkerbruine ogen. Eén van de grote moeilijkheden voor de Pulifokkers bestaat in het verkrijgen van een pels, die niet alleen vervilt, doch die dit bovendien op de juiste wijze in plakkaten (en niet in snoeren) doet. Terloops mag hier worden opgemerkt, dat de haarstructuur in vervilte platen een raskenmerk van Puli -en Komondor is en dat men de vervilting bij voorkeur zo zwaar mogelijk ziet. Is het haar werkelijk van goede kwaliteit, dan is het onmogelijk, de vervilting door kammen en borstelen tegen te gaan, ook al zou men daarmee reeds bij de pups beginnen.

Het enige resultaat van het kammen -en borstelen zou zijn, dat men de bond grotendeels van zijn haren zou beroven en dat hij er uit zou zien als een geplukte kip. De vervilting van de pels van Puli en Komondor komt niet voort uit verwaarlozing of gebrek aan zorg, doch uit de typische haarstructuur van deze rassen.

Staan dus Puli- en Kuvasz-liefhebbers voor grote moeilijkheden bij hun fok, de Komondorfokker treft het nog erger, want in zijn ras zijn verenigd de moeilijke eisen van Puli en Kuvasz beide. De Komondor moet immers enerzijds een geheel witte beharing vertonen naast donkere ogen, zwarte oogranden, neus, lippen en voetzolen en anderzijds een structuur van haar bezitten die leidt tot vervilting in grote plakkaten. Slechts allerbeste fokkerskunst en -kunde is in staat aan deze lastige opgaven het hoofd te bieden en het valt te begrijpen, dat slechts zeer weinigen tegen deze taak-opgewassen zijn.

Aan de moeilijkheden, welke betrekking hebben op het fokken van de Komondor paren zich die, welke vaak voortvloeien uit het karakter van dit ras. In het algemeen is de Komondor geen gemakkelijke hand; hij is slechts weinig geciviliseerd en zowel in karakter als in uiterlijk een dier, waarin nog oertrekken voorkomen, die moeilijk passen in onze eng geordende en nauw behuisde samenleving. De Komondor is de hand van de open vlakten, van het ruwe klimaat, van de onverschrokken houding in het gevaar en zo nodig in het gevecht. Hij is ernstig en bedachtzaam, ook trots en eigenzinnig en in zich zelf gekeerd. Hij is geen allemansvriend. Hij moet de ruimte hebben; hij past niet in een stadstuintje. Hij hoort buiten te zijn in de velden af in een groot park. Treffend juist is de parallel die van Anghi trekt tussen de Komondor en de bewoners van de Hongaarse vlakten. “De Komondor verricht zijn bewakingsdienst tengevolge van zijn wrevelige en niet tot vertrouwelijkheid neigende natuur met waardigheid. De zwijgzame, gesloten, doch tegenover gevaren onverschrokken aard van de Pusztabewoners geldt ook voor de Komondor, de waardevolste kameraad en medewerker van de bewoners der vlakten. Hij toont niet alleen duidelijk zijn afkeer van vreemden, doch hij is ook geen vleier van zijn meester. Slechts door een enkele beweging met zijn staart drukt hij zijn aanhankelijkheid jegens zijn baas uit”.

A1 het vorenstaande maakt de Komondor niet tot wat onze tijd zo gaarne heeft, een gemakkelijke hond. Maar wie een hond zoekt, die bij uitstek de moeite waard is, een hond, die nog slechts weinig is vervormd onder de invloed van de steedse beschaving en die nog veel in zich draagt van lang vervlogen tijden, wie daarvoor niet schuwt de moeilijkheden, die aan het houden en fokken van dit ras vaak verbanden zijn, zal een Komondor een heerlijke hand vinden.

Mr. K. V. ANTAL

Foto van heer met hoed en rechtopstaande Komondor: De reu „Szittya Gsnczdl". Eig. R. Wierdl te Budapest

Met dank aan Leo Bosman

Laatst vernieuwd: 05 May 2011 om 10:10

Terug