Slovensky Cuvac

Like onze Facebook-pagina van de Slovensky Cuvac

Land van oorsprong: Slovakije
FCI Standaard nummer: 142

Algeheel beeld
De raskenmerken van de Slovensky Cuvac (SC) beantwoorden aan deze van het berghondtype met stevige constitutie, imponerende gestalte met een ruige, witte vacht. Hij heeft een krachtig skelet en een levendig, waakzaam, onverschrokken en alert karakter. Hij is aangepast aan het ruwe klimaat van het slowaakse gebergte, met name het Tatragebergte. De SC heeft een matig vierkante bouw op krachtige, hogere poten. De benaming "Cuvac" is afgeleid van het woord "cut, pocut" en slaat op op zijn alert zijn en waakzaamheid. Naar oeroude herderstraditie wordt hij enkel in de witte kleur gekweekt, zodat hij 's nachts gemakkelijk van belagers te onderscheiden is.

Karakteristieke eigenschappen
Een geharde, standvastige en leergierige herdershond.

Karaktereigenschappen
Grenzeloos trouw en dapper. Noch nerveus, noch al te veel temperament.

Kop en schedel
De neus heeft een recht profiel en is bijna de helft van de lengte van het hoofd, tamelijk breed en licht versmallend naar de punt toe. De snuit is zwart. Matige stop. Krachtige schedel, langwerpig met brede hersenpan. Het voorhoofd is geprononceerd, breed met een flauwe, naar achter verlopende groef. De wenkbrauwbogen passen bij de schedel en lopen zijwaarts af. De hoofdkruin is vlak en is ten opzichte van de neusrug licht opgebogen.

De ogen
De ogen zijn donkerbruin, ovaal van vorm en horizontaal, de blik is scherpzinnig. De oogleden zijn zwart, ogen gesloten, het bindvlies van de binnenooghoek is donker, waardoor het oog aan expressie wint.

De oren
De oren zijn hoog aangezet, beweeglijk, matig rond, iets teruggeslagen en tegen het hoofd gedragen als een "V". In rust reikt het oor niet verder dan de mondhoek. De benedenhelft van het oor is korter en fijner behaard.

De bek
Krachtig, midellang, met strakke aanliggende lippen. De mondhoeken zijn gesloten. De slijmvliezen zijn zwart en omranden de bek zonder over te hangen. Het gehemelte is zwart. Krachtige kaken met egale bouw, een volledig schaargebit. De snijtanden staan niet volledig haaks op de kaken.

De hals
Evenlang als het hoofd, recht aangezet en bij opwinding hoog gedragen. Bij reuen zeer krachtig, zonder wammen doch met opvallende manen.

De voorste ledematen
Rechte plaatsing, als zuilen met korrekte hoeking van de opperarm en elleboog. Vooral bij reuen tamelijk hoge poten. Steile en lange schouderbladen. Opperarm gespierd en aanliggend aan het lichaam, versmallend naar de elleboog toe. De onderarm is recht, gespierd en lang. De voormiddelvoet is kort, sterk en matig hellend. De voet is rond, gebald van vorm met stevige, gewelfde tenen en krachtige nagels. De voet is goed behaard met vlezige, zwarte voetzolen.

De romp
De borst is breed. Het borstbeen ligt ter hoogte van het boeggewricht. Borstkas met goed gewelfde ribben. Het borstbeen bevindt zich boven de halve schofthoogte tot net boven de ellebogen. De lengte van de borstkas is groter dan de helft van de totale lichaamslengte en meet in breedte een vierde breed van de schofthoogte. De gewelfde ribben buigen naar achteren toe iets naar binnen en bieden een uitstekende bescherming aan de buikholte en flanken. De matig lange en stevige rug is recht en ter hoogte van de lendenen licht gewelfd. De lendenen lopen goed verbonden in het kruis over, sterk bespierd, matig lang en zeer sterk. Buik en flanken zijn in elkaar vloeiend en staan in verhouding tot het lichaam. De buik is matig opgetrokken. Het kruis is sterk, vierkant en licht afhellend.

De achterste ledematen
De heupen vormen samen met de dijen een markant breed, gespierd geheel, ietwat langwerpig van vorm. Het scheenbeen staat schuin, is lang, met gespierde kuiten. De knie is bespierd met een correcte hoeking.Het hielgewricht is krachtig met een benige hiel in een stompe hoek. Het ligt laag geplaats doch goed aangegeven en breed. De achtermiddenvoet is eerder kort en sterk, vertikaal in stand, zonder overgang of insnoering met de hiel verbonden. Hubertusklauwen zijn niet gewenst. De achtervoeten zijn ietwat langer dan de voorvoeten doch van dezelfde vorm.

De staart
De staart is laag aangezet, in rust hangend en reikend tot de hiel. Hij heeft een sigaarvorm, recht en zonder gebogen uiteinde. Tijdens het lopen en bij opwinding wordt hij als een boog over de lendenen gedragen.

Het gangwerk
Vloeiend, lichtvoetig en elastisch; beweeglijk en vlot op elk terrein en iedere weersomstandigheid. Diagonale draf.

De vacht
Dicht, en wit van kleur. Een geelachtige schijn is toelaatbaar aan de ooraanzet, doch niet gewenst. Uitgesproken gele vlekken zijn niet toelaatbaar. Met uitzondering van hoofd en ledematen bestaat de vacht uit een dichte, ruige pels, zonder scheiding op de rug of franje aan de staart of de broek. Reuen hebben opvallende manen. De beharing van het hoofd en de ledematen is kort en vlak aanliggend doch aan de achterzijde van de ledematen iets langer. Vanaf de ooraanzet gaat de beharing naar achter toe over in manen. Het dekhaar bedekt de onderwol volledig. Het dekhaar is 5 tot 15cm lang, het sterkst golvend bij de manen, elders minder. Op de rug vormt het enkele dwarsliggende golven. Afzonderlijke krullen of een niet aaneengesloten vacht zijn niet gewenst. Noodzakelijk is een elastische en aaneengesloten vacht. De onderwol is fijn van structuur, dicht en donzig. De wolharen hebben een lengte van de helft of tweederde van de dekharen. In de zomer ruit de ondervacht, de vacht verliest aan dichtheid maar wordt niet sluik. Door de golving van het dekhaar blijft de luchtigheid van de vacht behouden zodat er zich geen scheiding op de rug vormt.

De huid
De huid omspant het lijf soepel, van de overige delen van het lichaam ligt de huid strak aan. De opperhuid is rozig, met grauw-zwarte vlekken tot grotere pigmentvlakken. Enkel de omgeving van de neus, mond en ogen en waar de huid overgaat in de zwarte slijmvliezen is ze zwart gepigmenteerd. Tevens zijn de voetzolen zwart gepigmenteerd.

Kleur
Enkel wit.

Grootte
Schofthoogte bij de reu bedraagt 62 tot 70 cm, bij de teef 59 tot 65 cm.